Tegenover het huis waar
Anne Frank ondergedoken zat

P

Prinsengracht 146

Prinsengracht 146, Amsterdam

Op 6 juli 1942 was het dat Otto Frank met zijn familie in onderduik ging in het achterhuis van zijn bedrijf aan de Prinsengracht. Hij had daar in het geheim een woning achter een boekenkast gemaakt voor zijn familie en de familie van een medewerker. Het personeel van het bedrijf liet het bedrijf draaien en verzorgde hen. Zouden de bewoners en winkeliers in ons pand aan de overkant wat in de gaten gehad hebben?

Voor 1637
Bouw huis
1748
Extra verdieping
1962
Stadsherstel eigenaar
1966
Restauratie
Nu
Woningen
Over de gracht
Prinsengracht

De gracht, genoemd naar de Prins van Oranje, is de vierde van de vier hoofdgrachten behorende tot de grachtengordel en wat de aard van de bebouwing betreft de eenvoudigste.

Met de aanleg werd in 1612 begonnen, op initiatief van burgemeester Frans Hendricksz. Oetgens, naar een ontwerp van stadstimmerman Hendrick Jacobsz Staets en stadslandmeter Lucas Jansz Sinck. Het erf waar dit pand op gebouwd is, is in 1616 uitgegeven door Burgemeester en Thesauriers van Amsterdam.

De oudste schriftelijke bron waarin dit erf genoemd wordt dateert van 1617 als Anne Thomaszn met beroep steenbakker de eigenaar is van het erf. In 1625 verkoopt hij het door aan de boekhouder Pieter Pieterszn Schipmans, die toen met Anna Martens in ondertrouw ging. Het huis moet voor 1637 gebouwd zijn want dan erven de vier minderjarige kinderen van Pieter het huis na het overlijden van hun ouders. Als het huis in 1645 verkocht wordt aan Dirck Gerritszn Hoppesack moet hij er f. 5500,- voor betalen. Het huis wordt dan als volgt beschreven: “een huis en een erf op de westzijde van de Prinsengracht, tussen de Bloemgracht en de Nieuwe Leliestraat, waar de ‘Pallas’ in de gevel staat”. Zo wordt het tot 1772 genoemd.

Eigenaar
Kaarsenmaker

Geen meubelen en kleding aan haar lichaam

De hoenderkoper Nicolaas le Fevre koopt het pand na Hoppesack en enkele jaren later verkoopt de weduwe van Le Fevre Prinsengracht 146 weer door aan meester Cornelis van Dijck, die chirurgijn was. Van Dijck betaalt f. 6000,- in termijnen voor het pand. In de akte uit 1734 staat dat de kaarsenmaker Maria Elle bewoonster is en erfgename van de dochter van Van Dijck. Zij is ‘innocent’, heeft ‘geene meubilen en genoegsaam geen klederen aan haer lighaam’ en vanwege haar toestand bestaat er reëel brandgevaar voor medebewoners en buren. Ook blijken er aan het huis aanzienlijke herstellingen te moeten worden verricht. Het huis wordt dan verkocht aan Johannes Mol.

Vanaf 1700 is er ook precariorecht betaald voor de regenbak voor ’t huis. In 1748 wordt het huis met een verdieping verhoogd. En na 1879 wordt er extra betaald voor een berghok voor het huis. Dit bedrag was f. 0,16. Bewoner is dan is de laarzenmaker P.J. Mullens.

Onbewoonbaar
Twee winkeliersters

Wegens bouwvalligheid te slopen

In 1904 was Prinsengracht 146 een winkelhuis. De makelaar M.E. van den Boogerdt verkoopt het pand dan aan de broers Jorning, die timmerman en schilder waren. Ze betaalden f. 10. 400,- voor het winkelhuis, waarin een tapperij en slijterij was gevestigd, met afzonderlijk verhuurde bovenwoningen. Circa tien jaar later koopt G. Jorning het hele pand en verkoopt het in 1919 weer door aan twee winkeliersters, mej. M. Hoving en mej. D.E.M. van Amersfoort. Zij laten direct een gewapend betonvloer (een betonvloer met ijzer erin verwerkt) in het pand leggen t.b.v. opslag. De firma R. Hoving zat toen al jaren in het pand en had in dit pand en het buurpand op 148 een meubelmagazijn en werkplaats.

In 1940, in het jaar dat Otto Frank aan de overzijde zijn bedrijf begint, worden de bovenverdiepingen van het pand door Burgemeester en Wethouders onbewoonbaar verklaard. In 1948 verkrijgt M. Hoving desondanks de toestemming om de onbewoonbaar verklaarde woning te gebruiken als meubelmakerij. In 1959 volgt er nog een aanschrijving wegens bouwvalligheid. In 1961 besluit de gemeente Amsterdam om 146 aan te kopen en ook de aankoop van 148 en het open terrein 142-144 te bevorderen. Dit alles vanwege het behoud van Prinsengracht 142 t/m 148.

Overburen
Anne Frank

Het achterhuis lag tegenover dit pand

Toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen in Duitsland, besloot het joodse gezin Frank te emigreren. Vader Otto, moeder Edith en de zusjes Margot (1926) en Anne Frank (1929) verhuisden naar Amsterdam, waar Otto een eigen bedrijf begon. Maar ook Nederland viel in het voorjaar van 1940 in Duitse handen. Om aan de steeds heftigere anti-Joodse maatregelen te ontkomen, probeerde de familie Frank te vluchten. Deze plannen mislukten, waardoor het gezin genoodzaakt was onder te duiken. In december 1940 vestigt het bedrijf van Otto Frank zich op de Prinsengracht 263. In het magazijn op de begane grond worden de producten – pectine, kruiden en specerijen – opgeslagen en verpakt. Op de eerste verdieping zijn de kantoren.

Het achterhuis wordt gebruikt als laboratorium, om te experimenteren met de vruchtenjams. Maar in 1942 besluit Otto Frank om daar een schuilplaats in te richten, voor zijn gezin en dat van zijn medewerker Hermann van Pels. Vanaf 6 juli 1942 verbergen de families zich in de schuilplaats, verstopt achter een boekenkast. Het personeel houdt het bedrijf draaiende. Maar nog belangrijker: zij zorgen voor de onderduikers in het Achterhuis.

Twee lange, onzekere jaren brengen de families daar door, tot hun noodlottige ontdekking en arrestatie. In de zomer van 1944 werden de onderduikers via Westerbork naar het concentratiekamp Auschwitz vervoerd. Otto Frank zou na de bevrijding als enige terugkeren naar huis.

Rol van Stadsherstel
Laatste verschijningsvorm

Stadsherstel koopt in 1962 dit pand van de voormalige winkelierster D.E.M. van Amersfoort, en de erfgenamen van mevrouw Hoving. In de akte staat dat het volgens een voorschrift van Bouw- en Woningtoezicht afgebroken moest worden en dat er maatregelen getroffen moeten worden voor de veiligheid van 148.

Prinsengracht 142-144-146-148 werden in hetzelfde jaar gezamenlijk gerestaureerd. Bij nummer 146 waren de vierde verdieping en de geveltop verwijderd, wegens bouwvalligheid. Het pand heeft sinds de 17e eeuw vele veranderingen ondergaan en bij de restauratie door Stadsherstel is gekozen om het in de laatste verschijningsvorm (4e kwart 18e eeuw) te herbouwen waarvan de Louis XVI gevellijst echter bij de herbouw is vervangen door 19e-eeuwse vorm. Het huis heeft weer de oorspronkelijke bouwhoogte. Bovendien werd in de ramen een roedeverdeling aangebracht.

Meer informatie

Bronnen:
Oneindig Noord Holland
Annefrank.org
Archief Stadsherstel
Stadsarchief Amsterdam
Delpher

Aan dit project hebben meegewerkt:
Restauratiearchitect: Gerard Prins
Restauratieaannemer: H. Tervoort & Zn.

Cookie toestemming
Wij gebruiken cookies om uw gebruikerservaring te optimaliseren en het webverkeer te analyseren. Lees meer over hoe wij cookies gebruiken. Als u akkoord gaat met ons gebruiken van cookies, klikt u op "Ok, ik wil verder".
instellingen
Functionele cookies: deze cookies zijn nodig voor een goed werkende website
Tracking cookies: deze cookies worden gebruikt om bezoekers de best mogelijke ervaring te geven op onze website