De Amsterdamse eigenaar had ook een Loosdrechtse Porseleinfabriek

K

Koetshuis kasteel Nederhorst

Slotlaan 4, Nederhorst den Berg

Het Kasteel Nederhorst werd oorspronkelijk als vaste verblijfplaats bewoond, maar later als ‘buiten’ gebruikt. De eerste Amsterdamse eigenaar van het kasteel, de bankier John Hope, gebruikte het ook op die manier. Hij hield van het tuinieren op zijn buitens maar was ook fervent verzamelaar o.a. van porselein. Hij werd zelfs gedeeltelijk eigenaar van de fabriek in Loosdrecht.

1301
1e Burcht ‘Ter Horst’ gesticht door Alfer van Wulven
Ca. 1713
Bouw koetshuis
1961
Restauratie
2021/ 2022
Overdracht aan Stadsherstel
Rol van Stadsherstel
Eerste kasteel

Wij zijn eigenaar van onder andere kerken, grachtenpanden, molens, theaters en een werf. Binnenkort kan aan dit rijtje het prachtige kasteel Nederhorst worden toegevoegd. Voor een aantal jaren werd het gebruikt als kantoorruimte, maar samen met de huidige eigenaar gaan wij het kasteel nieuw leven inblazen door de woonfunctie terug te brengen: in kasteel en de bijgebouwen zullen betaalbare huurwoningen worden gerealiseerd. Om het gebouw toegankelijk te houden is er in de plannen ook ruimte voor openbare functies. En de tuin blijft publiekstoegankelijk. Op deze wijze kunnen wij het kasteel behouden voor komende generaties. We zijn in een vergevorderd stadium betreffende de planontwikkeling.

Op het kasteelterrein bevinden zich verschillende bijgebouwen, zoals het koetshuis. Dit gebouw stond er al toen de Amsterdamse Hope eigenaar werd. Jarenlang was hier een studio in gehuisvest, de laatste jaren heeft het een woonfunctie gehad en dat zal het ook houden.

18e-eeuws koetshuis
Landgoed naar Frans voorbeeld

Van koetshuis naar geluidsstudio

Het rijksmonumentale koetshuis stamt uit het begin van de 18e eeuw. Een nauwkeurige tekening uit 1647 van Roelant Roghman laat nog een forse boerderij met schuren en een hooiberg zien op de plaats van het huidige koetshuis. Op een terreinopmeting uit 1700 ontbreekt deze boerderij echter en een terreinplan uit 1713 van J. van der Staden laat een grote modernisering van het landgoed rondom het kasteel zien met oprijlaan vanaf de Reevaart en een voorplein met aan weerszijden daarvan twee symmetrisch geplaatste panden. Het middendeel van het huidige koetshuis is basis van dit ontwerp en gebouwd in classicistische stijl met versieringen in Lodewijk IV stijl. Het tweede gebouw is er om onbekende redenen nooit gekomen.

Of het pand ook daadwerkelijk als koetshuis gebouwd is, is niet met zekerheid vast te stellen. Op prenten uit die tijd is het steeds maar gedeeltelijk zichtbaar, aangezien de grootste aandacht van de kunstenaars begrijpelijkerwijs naar het kasteel uitging. In de vroege 19e eeuw staat het koetshuis in het Kadaster omschreven als ‘Stalling, Schuur, Erf’.

In 1879 en 1911 is het koetshuis uitgebreid met twee vleugels aan weerszijden, haaks op het bouwlichaam en aansluitend bij de oorspronkelijke architectuur. Uit opmetingstekeningen uit 1960 blijkt dat de oostelijke zijbeuk op dat moment als woning in gebruik is, terwijl de later toegevoegde rechterzijbeuk dan grotendeels de functie van stal heeft. In 1961 is het pand ingrijpend gerestaureerd. Daarbij is de gevelindeling aangepast en is het gebouw inwendig geheel vernieuwd, waarbij zoveel mogelijk de oorspronkelijke opzet werd aangehouden. Na 1967, toen Toonder Studio’s zich in de westelijke zijvleugel vestigde, hebben diverse uitbreidingen aan de achterzijde plaats gevonden die zo onopvallend mogelijk zijn ingepast achter de bestaande bebouwing.

Over het kasteel en het ontstaan van Nederhorst den Berg is een boekje geschreven waar wij aan bijgedragen hebben. Het is met Vriendenkorting te bestellen. Bent u nog geen vriend? Geen probleem: als u nu Vriend van Stadsherstel wordt, kunt u direct gebruik maken van de korting.
Hier kunt u het boekje bestellen
Kasteel
Van woontoren naar buiten

John Hope eerste Amsterdamse eigenaar

Het kasteel Nederhorst is ontstaan uit een middeleeuwse woontoren. Waarschijnlijk is het rond 1300 geplaatst om het familiebezit van de familie Van der Horst en het gebied eromheen te beschermen tegen vijandelijke aanvallen. De familie woonde er vele generaties en ook de familie Van Reede na hen. Later werd het meer gebruikt als ‘buiten’ door de stadsbewoners om bijvoorbeeld de vieze stinkende Amsterdamse grachten en de bouwactiviteiten te ontvluchten.

Op de lusthoven ontving men gasten, verpoosde men zich in de fraai aangelegde tuinen, converseerde, musiceerde, verbaasde zich in de Wunderkammer over de verzamelde objecten of ging uit jagen. Met zeer fraaie voorstellingen op kostbare porseleinen thee- en koffieserviezen kon de 18e-eeuwse, gegoede burgerij haar weelde en goede smaak tonen aan de gasten. Het porselein, bekend onder de naam ‘Hollands Porselein’, werd ook wel ‘het witte goud’ genoemd omdat het net zo hoog gewaardeerd werd als goud en edelstenen.

Ook de bekende Amsterdamse bankier John Hope (1737-1784) gebruikte op die manier dit buiten waar hij in 1774 eigenaar van werd. Hij mocht zich dan ook heer van Nederhorst den Berg noemen. Dit was de eerste maal dat het kasteel een Amsterdammer, in dit geval een voornaam patriciër, als eigenaar kreeg in plaats van de Stichtse adel.

Verzamelaar
ABN-AMRO

Hope was medeoprichter van het bankiershuis Hope en Co

John (Jan) Hope was enig kind van de bankier Thomas Hope en Margaretha Marcelis, de dochter van de rijke Amsterdamse koopman en zeepzieder Jan Marcelis.

Hope was een van de meest gefortuneerde mannen van Europa, bewindhebber van de VOC en medeoprichter van het beroemde bankiershuis Hope en Co., dat later fuseerde tot Mees Pierson en nu onderdeel is van ABN AMRO. Hope trouwde met Philippina Barbara van der Hoeven.

Zij waren naast het tuinieren en kunst geïnteresseerd in porselein. Zij brachten een grote kunstcollectie bijeen en waren de ouders van de beroemde verzamelaar en maecenas Thomas Hope (1769-1830) die zich in Engeland vestigde. Thomas was ook lid van de China Commisie, een sinds 1755 ontstaan afzonderlijk bestuursappraat voor de handel op China. Om een slagvaardig beleid te kunnen voeren was dit orgaan, bestaande uit 5-6 leden, met grote bevoegdheid toegerust. Uit China kwamen toen ladingen Chinees porselein. John en Barbara hadden aandelen in de porseleinmanufactuur van Joannes de Mol in Oud-Loosdrecht en werden later zelfs mede-eigenaar. Hope liet een reusachtig vermogen na en een uitgezocht kabinet schilderijen is in het bezit van het Rijksmuseum.

Porselein
Het Loosdrechts

Porseleindominee De Mol

In de 18e eeuw heeft Nederland een periode gekend waarin porselein werd geproduceerd. De economische omstandigheden hebben ertoe geleid dat de drie fabrieken maar kort hebben bestaan. In Loosdrecht was dat van 1774 tot 1784. De kwaliteit was hoog, maar verkoop om zelfs maar kostendekkend te zijn was niet mogelijk. Vandaar dat er niet veel gemaakt is en het porselein zeer zeldzaam is. In een beperkt aantal verzamelingen, vooral in Nederland, is het Loosdrechts porselein nog aanwezig. De vroegst bekende verzamelaar is Jonkeer C.H.G.A. van Sypesteyn, die in de periode rond 1900 een aanzienlijke collectie bijeen bracht die te zien is in het kasteel Sypesteyn in Loosdrecht. De collectie Houthakker verwierf het Rijksmuseum in 1932. Maar ook onze John Hope had een aanzienlijke verzameling. Dat kwam mede omdat hij aandeelhouder was, maar ook veel porselein in onderpand kreeg als lening aan de eigenaar van de fabriek, Johannes de Mol.

De Loosdrechtse fabriek werd in 1774 gesticht door Johannes de Mol, de predikant van het dorp. De Mol had al jarenlang geliefhebberd op het gebied van chemie en het onderzoek van gesteenten in de hoop porselein te kunnen maken met behulp van in eigen land voorkomende grondstoffen. Omdat De Mol diep bewogen was met het lot van de arme dorpsbevolking, was zijn doel tevens werkverschaffing en beroepsscholing voor jeugdigen van zijn parochie.

Kostbaar
Ambachtsvrouwe

Amsterdamse betrokkenheid in Loosdrecht

Een porseleinfabriek is een kostbare aangelegenheid en omdat De Mol zelf niet over de nodige middelen beschikte, steunde hij op de Amsterdamse patriciërs. Dat was trouwens niet ongewoon in die wereld want een aantal Duitse porseleinfabrieken steunden op de adel.
Er was ook op een ander vlak connectie tussen Loosdrecht en Amsterdam. In de 18e eeuw waren de ambachtsheren- en vrouwen leden van het Amsterdamse patriciaat en wel uit de familie Graafland, De Haze, Geelvinck en Alewijn. Zij bezaten het recht om de predikant van het dorp aan te stellen. En zo werd De Mol hier predikant. Hij had vooral te maken gehad met de ambachtsvrouwen Anna de Haze, getrouwd met Gillis Graafland en volgens de kroniekschrijver Bicker Raye de rijkste dame in de stad, en haar jongste dochter Margaretha Helena, die trouwde met Jacob Alewijn.

Ook met zijn schoonzus, de vrouw van zijn broer Jacob, de baljuw van Loosdrecht, had De Mol veel te maken. Eva van Eibergen was een bemiddelde Amsterdamse koopmansdochter die zelf ook succes had als zakenvrouw toen zij annuïteiten en lijfrentes kocht en hypotheken verstrekte op Surinaamse plantages. Zij had een zwak voor haar zwager: ze gaf het startbedrag voor de fabriek en gaf daarna nog een paar zachte leningen. Zij had zelf ook veel Loosdrechts porselein in bezit. Het porselein kon ook in Amsterdam gekocht worden, in het nu niet meer bestaande verkoopmagazijn aan de Nieuwezijds Voorburgwal 262.

Collectioneur John Hope
De Fijne Porcelain Fabricq

Een van de vier nieuwe eigenaren van de fabriek

Ook andere Amsterdamse patriciërs kochten aandelen in de porseleinfabriek. Een andere bijzondere plaats onder de geldgevers werd ingenomen door de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname. Dit was een vennootschap tot beheer en exploitatie van de kolonie Suriname, waarin sinds 1770 de WIC voor 1/3 participeerde en de stad Amsterdam voor 2/3. Rendorp, Dedel en Van der Hoop waren bij tijden directeur van deze organisatie. Zij waren ook privé geldschieter, en dat verklaart waarom de Sociëteit aandelen van de porseleinfabriek had.

Ondanks deze geldschieters en de leningen van zijn schoonzus bleef De Mol een tekort houden aan liquide middelen. Hij verkocht het porselein niet snel genoeg, waardoor hij een erg grote voorraad had. In 1781 gaf hij als gezegd een deel van de voorraad, met een verkoopwaarde van ƒ 54.000, aan John Hope in belening. Maar daar redde De Mol het niet mee, zodat hij in 1782 zijn fabriek aan de schuldeisers Joachim Rendorp, Abraham Dedel, John Hope en Cornelis van der Hoop Gijsbertsz verkocht.

De verlieslijdende productie te Loosdrecht werd nog voortgezet tot najaar 1784 waarna de porseleinproductie werd verplaatst naar Amsterdam, in de buurt van het huidige Amstelstation. Maar ook de fabriek van het fraaie Amstel porselein sluit in 1820 definitief haar deuren.

Meer informatie

Bronnen:
De Vroedschap van Amsterdam, 1578-1795 (knaw.nl)
Loosdrechts porselein 1774-1784
Rijksmuseum
Stadsarchief Amsterdam
Delpher
Archief Stadsherstel

Samenwerking:
Het project wordt in samenwerking met de Godard Stichting en de huidige eigenaar van het kasteel, de Harmine Wolters Stichting, ontwikkeld.
Gemeente Wijdemeren
Provincie NH (Subsidie onderzoek duurzaam hergebruik monumenten)

Aan dit project werken mee:
Bouwhistoricus: Monumenten Advies Bureau
Architect: Verlaan & Bouwstra architecten
Constructeur: De Beaufort Bouwadvies
Landschapsarchitect: Stichting In Arcadië
Adviseur RO: Rho adviseurs voor leefruimte bv

Cookie toestemming
Wij gebruiken cookies om uw gebruikerservaring te optimaliseren en het webverkeer te analyseren. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en worden niet gedeeld. Lees meer over hoe wij cookies gebruiken. Als u akkoord gaat met ons gebruiken van cookies, klikt u op "Ok, ik wil verder".
instellingen
Functionele cookies: deze cookies zijn nodig voor een goed werkende website
Analytische cookies: deze cookies worden gebruikt om statistieken van de website bij te houden. De analytische cookies zijn volledig geanonimiseerd en worden niet gedeeld. Tevens wordt het laatste octet van het IP-adres automatisch gemaskeerd.