Vanwege oorlogsschade
gesloopt
en teruggebouwd met oude hals

A

Amstel 87

Amstel 87, Amsterdam

Dit huis, gebouwd door een rijke walvisreder en lakenhandelaar en later veelal bewoond door Joden, is na de Tweede Wereldoorlog vanwege oorlogsschade gesloopt tot aan de onderpui. Het heeft er jarenlang zo bijgestaan, totdat Stadsherstel eigenaar werd. Het huis is gereconstrueerd met gebruikmaking van de oude halsgevel die sinds de sloop bewaard was.

1736
Bouw huis
1944/45
Oorlogsschade
1945
Deels afgebroken
1958
Stadsherstel eigenaar
1962
Gerestaureerd
Nu
Bedrijfsruimte en woningen
Bouwheer
François Straalman

Lakenhandelaar en walvisreder

In 1734 verkopen de Burgemeesteren en Thesaurieren van Amsterdam het erf, waar later Amstel 87 op zou komen, aan doopsgezinde François Straalman (1678-1754). Hij betaalt hier f.5100, – voor. De steenrijke lakenhandelaar, lakenfabrikant en ‘reeder ter walvisvangst’, bouwde in 1736 het huis. Van 1716 tot 1724 handelde hij met zijn broer Jan Straalman onder de firmanaam François & Jan Straalman. Hij bezat diverse huizen en buitenhuizen. Na zijn dood werd zijn bezit verdeeld onder zijn twee zonen.

Zoon Matthijs (1722-1808), Heer van Duyst, de Haar, Zevenhuysen, Loon en oud-president, schepen en raad van Amsterdam en in 1787 burgemeester, erft het huis. Mr. Matthijs Straalman was volgens Jan Bernd Bicker, die toen een dagboek bijhield, de grote nee-stemmer van de Amsterdamse vroedschap. Zo stemde hij bijvoorbeeld nee tegen de ontvangst van John Adams, want dat zou betekenen dat de vroedschap de Verenigde Staten als onafhankelijke natie zag en niet langer als Engelse kolonie.

In 1777 verkoopt Matthijs het huis aan de koopman Ezechiël Schabracq voor f.14000,-. Het pand wordt dan als volgt beschreven: ‘’een huis en erf, aan de binnen Amstel, tussen de Joden Kerkstraat en de Nieuwe Prinsengracht, het vierde huis van de Joden Kerkstraat”. In 1779 bewoont de moeder van Ezechiël het huis.

Eigenaar
Ezechiël Schabracq

Van het slijpen van diamanten tot het houden van varkens

Ezechiël Schabracq is de zoon van Hartog Isaac Schabracq en Caatje Cohen, en gehuwd met z’n achternicht, Esther Jacob Cohen.

Vader Hartog stond bekend als diamantbewerker, met een fabriek waarin de verschillende bewerkingen worden uitgevoerd voor het verkrijgen van zeer mooie diamanten. Dat blijkt uit het krantenartikel waarin wordt weergegeven dat de koning van Denemarken zijn fabriek in 1768 bezoekt en er uitleg krijgt. In 1769 overlijdt Hartog en de fabriek wordt overgenomen door zijn zoons, Na een bezoek van de Hertog van Chartres, een broer van de Franse koning Lodewijk XVI, aan de fabriek worden de broers Isaac, Emanuel en Ezechiël rond 1780 uitgenodigd om de diamantindustrie in Frankrijk nieuw leven in te blazen. Dit lukt, maar Ezechiël keert in 1784 terug naar Amsterdam.

Rond 1790 runt hij een stijfselfabriek, gevestigd in een loods op het braakliggend terrein Vildersveld, tussen de Achtergracht en de Nieuwe Prinsengracht in Amsterdam. Ook houdt hij varkens die de restproducten van tarwe, waar stijfsel van gemaakt wordt, opeten. Ze worden gehouden tegenover de fabriek op het “Varkenseiland”

Felix Libertate
Gelukkig dankzij de vrijheid

Opkomen voor gelijke burgerrechten voor Joden

Ezechiël was lid van de Joodse patriottensociëteit ‘Felix Libertate’, Latijn voor Gelukkig dankzij de vrijheid. De sociëteit werd opgericht in 1795, na de vorming van de Bataafse Republiek. De Bataafse Republiek (1795–1806) omvatte het grootste gedeelte van het huidige Nederland. Zij was gevormd als zusterrepubliek van de Franse Republiek, en met hun militaire steun.
a
Het belangrijkste doel van “Felix Libertate” was het opkomen voor gelijke burgerrechten voor Joden. Aangezien Joden in andere sociëteiten werden geweerd, werd een eigen sociëteit opgericht. De sociëteit bestond uit ongeveer honderd leden die in de Franse Revolutie hun grote voorbeeld zagen. De oprichtingsrede werd door Ezechiël Schabracq uitgesproken.
Vanaf 1802 woonde hier één van de rijkste zwarte Amsterdammers; Jacob Rühle, met een grote familie van diverse partners, kinderen en kleinkinderen. Jacob was zoon van de Duitse WIC-ambtenaar en slavenhandelaar Anthonie Rühle en zijn Afrikaanse vrouw Jaba Botri. De familie Rühle is een bijzonder voorbeeld van een gekleurde familie die groot aanzien genoot en schatrijk werd, ook door de slavenhandel.

Bewoner
Suriname

Een van de rijkste zwarte Amsterdammers

Jacob werd geboren in Elmina (Ghana) op 28 mei 1751. Zijn vader Anthony Rühle zorgt goed voor zijn zes kinderen. Hij neemt ze mee naar Suriname en naar Nederland en zorgt dat ze een goede opleiding krijgen. Jacob was bijna tien jaar toen hij op 20 april 1761 werd gedoopt in de Lutherse kerk op Singel 411. In 1769 overlijdt zijn vader. Hoewel Jacob de op één-na-jongste is, treedt hij al snel op als hoofd van de familie, want hij is de slimste.

Jacob vertrekt rond het overlijden van zijn vader naar zijn geboorteland om in de voetsporen van zijn vader voor de West Indische Compagnie te gaan werken. Jacob was magazijnmeester en fabrieksmeester bij de WIC, beheerde de voorraad en goederen en hield toezicht op de tot slaaf gemaakten in Elmina. Daarnaast maakte hij privéfortuin in de slavenhandel en was rond 1790 de belangrijkste financier van het Nederlandse bestuur in Afrika. Hij zorgt voor de contacten tussen de familieleden en zorgt ervoor dat er een echt familiebedrijf opgezet wordt. Daarbij kijkt hij al snel niet alleen naar de slavenhandel, maar ook naar andere mogelijkheden. Zo had de familie ook grote bezittingen en handelsbelangen in Suriname. Hij nam o.a. het initiatief voor de koffieplantage Buitenrust. Na 1798 besluit Jacob naar Nederland te gaan. Vanuit Amsterdam leidt hij het familiebedrijf.

Tweede Wereldoorlog
D. Hartog

Goudsmid en banketbakkerij

Nadat er in de negentiende eeuw een advocaat, een koopman en een goudsmid woonden was er ook nog een horlogemaker gevestigd in het pand. Toen diens vrouw in 1915 overleed kocht banketbakkerij David Hartog het huis met mooie antieke betimmerde zaal binnen en open plaatsen, tuin en erve. Hij vraagt gelijk een vergunning voor een verbouwing aan. Het souterrain en de verdieping veranderen dan in een banketbakkerij met een woonhuis. In 1907 had David al een winkel aan de Weesperstraat 83, 85 en 87 en een winkel aan de 3e Oosterparkstraat. In 1932 ook aan de Van Woustraat 80, de Maasstraat 48 en de Joden Breestraat 28. Tot 1940 houdt David aan de Amstel zijn fabriek, kantoor en magazijn. We treffen tot dan op www.delpher.nl regelmatig personeelsadvertenties aan voor de Joodse bakkerij.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde de Joodse familie Klein aan Amstel 87. Het gezin bestond uit de Hongaar David, hij was fabrikant, zijn vrouw Regina en hun dochters Mirjam, Betty en Ida. Hij heeft op de Amstel een lederwaren fabriek o.a. in beurzen, waar hij in 1941 nog stiksters voor vraagt. Alleen dochter Ida overleefde de oorlog. De anderen zijn vermoord in concentratiekamp Auschwitz.

Rol van Stadsherstel
Reconstructie

In de winter van 1944/45 liep het pand oorlogsschade op, waardoor het in 1945 gesloopt werd. Jarenlang staat er alleen nog het onderstuk, totdat Stadsherstel in 1962 het pand herbouwt. Dat gebeurt met gebruikmaking van de oude geveltop, die nog opgeslagen lag op de werf van het bureau monumentenzorg.
a
De halsgevel heeft een symmetrische kuif op het fronton. Er is een bovenafdekking met ronde en holle profilering en dubbele tegenkrullen. Klauwstukken met middenindeling en S-krullen bij de bladmotieven. De gevel dateert uit het tweede kwart van de 18e eeuw. De stijlperiode is Lodewijk XIV, net zoals de panden Amstel 83 en 85.

In de jaren ’20 van de 20ste eeuw werd voor het eerst een inventarisatie gemaakt van belangrijke gebouwen in Amsterdam. Er stonden in 1928 circa 4.000 panden op de ‘Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst’. Toen het pas opgerichte Bureau Monumentenzorg in 1953 een hernieuwde inventarisatie maakte, bleken er zo’n duizend panden te zijn gesloopt. Omdat er nog meer sloop verwacht werd vanwege Cityvorming en verkeersdoorbraakplannen, werd Stadsherstel in 1956 opgericht. Al voor de Tweede Wereldoorlog werden al toppen herplaatst, om in ieder geval een deel van het stadsbeeld te behouden. Tot 2015 konden niet minder dan 135 geveltoppen worden hergebruikt in de stad. Een behoorlijk aantal zijn op Stadsherstelmonumenten geplaatst.

Meer informatie

Bronnen:
Delpher
Stadsarchief amsterdam
Archief Stadsherstel
Joodsmonument.nl
JoodsAmsterdam.nl
Slavernijenjij.nl
Website familie Sevbraque
Voor Amsterdam bewaard

Aan dit project hebben meegewerkt:
Restauratiearchitect: E.H. Weber
Restauratieaannemer: J. Kneppers

Cookie toestemming
Wij gebruiken cookies om uw gebruikerservaring te optimaliseren en het webverkeer te analyseren. Lees meer over hoe wij cookies gebruiken en hoe u ze kunt beheren door op 'instellingen' te klikken. Als u akkoord gaat met ons gebruiken van cookies, klikt u op "Ok, ik wil verder".
instellingen
Functionele cookies: deze cookies zijn nodig voor een goed werkende website
Analytische cookies: deze cookies worden gebruikt om bezoekers de best mogelijke ervaring te geven op onze website