W

Wittenburgergracht 205-209

Wittenburgergracht 205-209, Amsterdam

Aan de Wittenburgergracht staat dit huis, dat eigenlijk altijd wel met scheepsbouw te maken had. Niet in het minst omdat scheepsbouwer Jan Witheyn, waarnaar het eiland Wittenburg vernoemd is, zijn werf aan de achterzijde van dit pand had. Maar ook kunstschilder Hendrik (Albertus) Klijn woonde er.

1664
Erf verkocht
1673
Bouw huis
1984
Eigendom Stadsherstel
1987
Gerestaureerd
De plek
Wittenburg

Scheepsbouwer Jan Witheyn vergaarde het familiekapitaal bijeen

Wittenburg is één van de drie Oostelijke Eilanden die in 1648 in het IJ worden aangeplempt. Een verklaring van de naam Wittenburg is te vinden in de naam van een van de eerste scheepswerf, die van de in Hamburg geboren Jan Witheyn (1610-1662) en zijn compagnon Jacob Burggraaf (1610-circa 1681) die gesticht werd in 1657. Scheepsbouwer Jan Witheyn vergaarde zijn kapitaal met de scheepsbouw en houthandel en bouwde hiermee het familiefortuin, waardoor zijn zoon Jan tot de veertien rijkste mensen van de Gouden Eeuw behoorde. Hij liet tussen de 1,2 en de 1,4 miljoen gulden na en liet het huis Herengracht 575 bouwen. Hij had samen met zijn vrouw Maria Meerman elf kinderen

Wittenburg was bedoeld voor particuliere scheepswerven en bewoning en werd eeuwenlang ook als zodanig gebruikt. De werven leveren schepen aan de Admiraliteit (marine) op Kattenburg en aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie op Oostenburg. Scheepsbouw is de voornaamste bron van werkgelegenheid op de Eilanden. De meeste woningbouw was voor personeel van alle werven en aanverwante bedrijven. Het is dan ook een echte arbeidersbuurt, met timmerlieden, metaalbewerkers, touwslagers, zeilmakers en havenarbeiders.

Het erf
Witheyn

De winkel en toonbank mag mee

Met de twee linker buurpanden op Wittenburgergracht 205-209 komt dit adres voor het eerst in de archieven in 1664 voor. Johannes Tering ‘de oude’ koopt de twee percelen voor ƒ 2400 van Burgemeester en Thesaurieën, en bouwt in 1673 als eerste een huis op het perceel. In 1678 koopt de smid Agge Pieterszn het pand. Er is dan al sprake van een ‘gemeenschappelijke trap’ die naar de kamers gaat. Daarmee wordt de deur die zich tussen dit pand en het buurpand bevindt met trap naar boven bedoeld. Er is ook sprake van een gezamenlijke regenbak. Ook blijkt zich er dan al een winkel in de kelder te bevinden. In de stukken van het pand staat dat de huurder de winkel en de toonbank mee mag nemen. De huurder van de loods die op het achterterrein gebouwd is mag ook alles meenemen wat van hem is.

In 1678 bevinden zich achter dit perceel de erven van de weduwe Witheyn, de naamgever van het eiland. In 1706 verkoopt de schuitenvoerder Jan Gerritszn een deel van het pand en erf. In 1721 is op het achtererf de werf van Govert Christoffel Martenszn gevestigd. In 1851 woont H. Mooihuizen, winkelier, in het pand en in 1864 de kruier H. v.d. Brink.

De huidige bebouwing op het achtererf, die achter dit pand doorloopt naar het linkerbuurpand, is van na 1875.

Bewoners
Kunstschilder

Hendrik Albertus Klijn schildert, aquarelleert, tekent en etst

Van augustus 1879 tot december 1884 woont de 19-jarige kunstschilder Hendrik (Albertus) Klijn met zijn moeder en zus in dit monument. Zijn vader – de scheepstimmerman Gerrit Klijn – is al op 52-jarige leeftijd overleden. Klijn volgt in die jaren de Rijksacademie in Amsterdam (1877-1885). Kort na zijn studie geeft hij tentoonstellingen in Groningen (1886) en Rotterdam (1888). Klijn schildert, aquarelleert, tekent en etst winterlandschappen, portretten en figuren. Hij krijgt vooral bekendheid als ‘kopiist’.

Klijn woont en werkt later in Nieuwer-Amstel (Amstelveen), Apeldoorn en Den Haag en doet met zijn geringe lengte (volgens de militieregisters is hij 1.60 meter lang) zijn naam eer aan. Hij overlijdt in 1929 in Den Haag.

Behalve voor bewoning wordt dit pand ook gebruikt als winkel, als depot van de ‘Maatschappij voor Boterbereiding’ en later als stoffeerderij. Op vrijdagavond 15 april 1938 fungeert het winkelhuis als ‘legerzaaltje’, waar het Leger des Heils een samenkomst organiseert om Goede Vrijdag te vieren.

Toestand
Onbewoonbaar

In 1926 wordt de kelderwoning onbewoonbaar verklaard

Van de oorspronkelijke bouwtijd dateren nog de balklagen en de voorgevels.
Opvallend zijn de driedelige schuiframen: dit raamtype komt in de tweede helft van 19e eeuw nog nauwelijks voor. De top van nummer 205-209 is waarschijnlijk in het begin van de 19e eeuw verhoogd. De voorgevel heeft een rechte, doorlopende rollaag boven de voordeur en ramen. Mogelijk heeft hier oorspronkelijk een houten onderpui in de gevel gestaan.

In juli 1926 wordt de kelderwoning onbewoonbaar verklaard. De voormalige eigenaar heeft in de afgelopen eeuw zeer weinig onderhoud gepleegd. In de archieven komen we regelmatig brieven tegen van huurders, die ten einde raad hun nood klagen bij Bouw- en Woningtoezicht.
In een veilingrapport van 17 april 1961 wordt het pand als volgt omschreven: “Perceel nummer 35 bevat een souterrain, in gebruik als stoffeerderij, één woning op de beletage en een bovenwoning op de 1e en 2e verdieping. Dit perceel is oud en verwaarloosd.”
Uiteindelijk volgt in 1967 een aanschrijving aan de toenmalige eigenaar. Maar als deze niet tot uitvoering genegen blijkt, verhelpt de gemeente op eigen gezag de ergste lekkages.

Rol van Stadsherstel

Stadsherstel mag de verwaarloosde panden kopen

In 1979 ligt er opnieuw een aanschrijving. Eigenaar is dan B.V. Beerents Raadgevend Bureau. Uit het faillissement van deze BV wordt Stadsherstel in staat gesteld om dit pand samen met het verwaarloosde buurpand in 1984 te verwerven. Onmiddellijk na aankoop wordt – in afwachting van een totale restauratie – de kap en het dak van het achterhuis alvast van een nieuwe bedekking voorzien.

In 1987 wordt het pand opgenomen in het project Rondje Oosterkerk, een samenwerkingsproject van woningcorporatie Onze Woning en Stadsherstel, met als doel de panden aan de Wittenburgergracht op te knappen. Onze Woning had de naastliggende panden met halsgevels op Wittenburgergracht 37 en 39 in bezit. Het herstel vindt plaats in het kader van de 1-2-3-regeling van de gemeente, of voluit: Verordening verbetering particuliere huurwoningen Amsterdam 1987. Het gaat daarbij om het herstel van het casco en achterstallig onderhoud enerzijds (zonder huurverhoging) en verbetering van het wooncomfort (met huurverhoging) in overleg met de huurder. Stadsherstel en Onze woning werken samen met één restauratieaannemer Paping en dat blijkt in de praktijk goed te werken. Onder toezicht van architect P. Geusebroek worden de panden in 1987 gerestaureerd.

Cookie toestemming
Wij gebruiken cookies om uw gebruikerservaring te optimaliseren en het webverkeer te analyseren. Lees meer over hoe wij cookies gebruiken en hoe u ze kunt beheren door op 'instellingen' te klikken. Als u akkoord gaat met ons gebruiken van cookies, klikt u op "Ok, ik wil verder".
instellingen
Functionele cookies: deze cookies zijn nodig voor een goed werkende website
Analytische cookies: deze cookies worden gebruikt om bezoekers de best mogelijke ervaring te geven op onze website