Roseboom
eigenaar Keizersgracht 64 en
een suikerplantage in Suriname

In de achterkamer van de beletage van het voorhuis staat Ceres, godin van de landbouw, afgebeeld met korenaren. Een jonge vrouw biedt haar een mand met bloemen en vruchten aan. De twee putti dragen een sikkel en een guirlande van graan, eveneens symbolen van Ceres (foto Stadsherstel, Sjors van Dam, 2018).
Tekening gevel pand Keizersgracht 64
R

Roseboom eigenaar Keizersgracht 64 en een suikerplantage in Suriname

In de 18e eeuw woonde de vermogende familie Roseboom op de Keizersgracht 64. De Rosebooms werden via een familielid investeerders en later eigenaren van de Surinaamse suikerplantage De Guineesche Vriendschap.

Tekening gevel pand Keizersgracht 64
1762

Roseboom wordt eigenaar van de Keizersgracht 64

In 1762 wordt het ‘hegt en weldoortimmerd modern koopmanshuis’ aan de Keizersgracht voor f 36.400 verkocht aan de gepensioneerde Coert Roseboom. Roseboom was een hoge functionaris van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Als 22-jarige voer hij als derde stuurman op het schip De Landskroon naar Batavia (Jakarta).

Na tien jaren ’zware en lastige dienst’ dient Roseboom zijn ontslag in. Na een reis van bijna acht maanden aan boord van de Noord-Beveland keert hij in 1760 welvarend terug in Nederland, aan het hoofd van een grote retourvloot van negentien schepen. Coert gaat in zijn pand op de Keizersgracht wonen met zijn zoon Mr. Jan Hendrik Roseboom totdat hij in 1779 overlijdt.

1766

WIC

Zoon Roseboom trouwt met telg uit rijke Brusselse patriciërsfamilie

Jan Hendrik trouwt in 1766 met Françoise Wijnanda Elisabeth van der Noot de Gietere, afstammeling van een rijke patriciërsfamilie uit Brussel. Haar vader – Nicolaas Mattheus van der Noot de Gietere – heeft als directeur-generaal van de WIC in fort Elmina aan de Goudkust (Ghana) een fortuin gemaakt in de slavenhandel. De kleine Françoise groeit van haar zesde jaar tot haar huwelijk in bescherming op bij de goede vriend van haar vader, de Amsterdammer Jan Pranger.

Jan Pranger Jan Pranger was van 1730 tot 1734 directeur-generaal van de WIC aan de Goudkust (nu Ghana) in West-Afrika. Waar hij de jonge vader van Francoise onder zijn hoede name. Op het portret staat hij in zijn kamer in de Nederlandse handelspost Fort Elmina. Alles benadrukt het belang van zijn functie: de huisslaaf met parasol, de commandostaf en het logo GWC – Geoctrooieerde West-Indische Compagnie – op het tafelkleed. In 1745 trouwde Jan Pranger met zijn tweede vrouw, Machteld Muilman. Daarom schilderde Van der Mijn haar als een tegenhanger bij Prangers portret. Machteld is afgebeeld in hun huis aan de Amsterdamse Singel, in een satijnen mantel versierd met hermelijn-staartjes. Ook de kostbare kan met koffie of warm water voor de thee, en het schilderijenkabinet op de achtergrond getuigen van welvaart.
17e

Elmina (Ghana)

Familie start Surinaams avontuur

Het is de halfbroer van Françoise die met een Surinaams avontuur de problemen inluidt voor de Rosebooms. Deze halfbroer, Nicolaas Mattheus, heeft een Afrikaanse waarschijnlijk tot slaaf gemaakte moeder. Hij werd geboren op het fort Elmina, dat sinds de 17e eeuw in handen was gekomen van de Nederlanders. Het fort lag aan de Goudkust (thans Ghana) en was een belangrijke handelspost voor de WIC. Hier werd goud vandaan gehaald in ruil voor textiel, koperwaren, kralen en brandewijn. Het meest bekend – en berucht – is het fort vanwege haar slavenhandel.

Ghana, Nederland en weer terug naar Ghana

Het fort was niet een plek voor kinderen om op te groeien en hun opleiding te krijgen. De ‘zwarte Hollander’ Nicolaas werd zoals meerdere kinderen op jonge leeftijd voor scholing naar Nederland gezonden. Hij werd daar gedoopt met de achternaam van zijn vader. Later noemde zijn vader hem Van Bakergem, waarschijnlijk omdat zijn vader in Nederland trouwde met een Nederlandse vrouw en de erfenis veiliggesteld moest worden. Als vermogend man belegde hij in onroerend goed in de provincie Utrecht, maar dat gaat niet goed en hij gaat failliet. Daarom keerde hij met zijn zoon Nicolaas en vrouw in 1754 terug naar de Goudkust om weer vermogen te vergaren met de slavenhandel. Nicolaas Van der Noot de Gietere werd toen aangesteld tot gouverneur van de Goudkust, maar overleed het jaar daarop.

Trouwen met zwarte vrouwen De hogere WIC-medewerkers hebben vaak relaties met tot slaafgemaakte Afrikaanse vrouwen maar zochten hun vrouwen ook vaak in belangrijke Afrikaanse families. Die hebben veelal belangrijke handelscontacten in het achterland en veel geld. In de achttiende eeuw geeft de WIC haar monopolie op de slavenhandel op. De particuliere slavenhandel geeft dan veel kansen om snel rijk te worden.
1776

Surniname

Ghana, Suriname en terug naar Nederland

Nicolaas van Bakergem bleef enige tijd werkzaam bij de WIC en verdiende goed aan de particuliere slavenhandel. Als halfbloed blijkt hij daar geknipt voor: hij weet vraag en aanbod tussen de Westerse- en Afrikaanse wereld te verenigen. Zijn netwerk is groot en sterk en zo kon hij de Nederlandse slavenhandel domineren. Hij wordt mede-eigenaar van verschillende slavenschepen naar Suriname. In 1776 besluit hij, via Suriname, naar Nederland terug te gaan. Hij stapt op de slaafhaler “Keenenburg”, met 375 slaven. In Suriname aangekomen investeert hij in de Surinaamse suikerplantage Scherpenburg, aan de Surinamerivier. Dat doet hij samen met twee in Suriname woonachtige vrienden, de advocaten en planters G. Reisiger en H.J.A. de Vries. De plantage wordt dan omgedoopt tot De Guineesche Vriendschap.

Nicolaas reist vanuit Suriname met een lading koffie terug naar Nederland alwaar hij in 1781 in Amsterdam trouwt met Helena Arent (1747-1838).

Schulden

Er is een investering nodig maar Nicolaas heeft het geld niet. Voor de plantage werd de zwaar opgeschroefde koopsom van ƒ 160.000,- betaald en daar stond een kleine plantage met 61 slaven tegenover die nauwelijks in productie was. De plantage schijnt “cash” te zijn betaald, met slechts een kleine additionele lening van ƒ 15.000,-. Van Bakergem had problemen om zijn aandeel op te brengen, maar werd gesteund door de overige partners. Die moest hij later natuurlijk afbetalen, en dat deed hij door een lening van ƒ 28.000,- af te sluiten bij zijn zwager, Jan Hendrik Roseboom. Jan Hendrik woonde aan de Keizersgracht 64 en had zijn aandeel in de plantage als onderpand. (Roseboom leende later nog eens ƒ 10.000,-) Maar het was goed geld omzetten in kwaad geld.

De plantage maakte geen winst en de partners kregen geen rendement over hun investering. Met een simpel rekensommetje kon dat vooraf al te zien zijn geweest. Waarom had men dan toch besloten tot aankoop? Dat had te maken met de beurswaarde in Amsterdam. Het was een typische zeepbelsituatie waarbij sommige zakenlieden zoals De Vries, Reisiger en Van Bakergem zich toch lieten verleiden tot aankoop.

Plantage-industrie een Zeepbelsituatie Surinaamse plantages stonden hoog aangeschreven op de beurs en er werd zwaar in geïnvesteerd. The sky was the limit. Men kocht met de gedachte altijd met winst te kunnen doorverkopen. Maar in de jaren 1772-1774 barstte de zeepbel, en de investeerders zaten op de blaren: over het algemeen een torenhoge lening, weinig opbrengst, en geen mogelijkheid tot winstgevende verkoop. Toch bleef men geloven dat het weer zou aantrekken en velen bleven investeren waardoor ze zware verliezen leden.
1778

Plantage eigenaar

Roseboom wordt voor de helft eigenaar

In 1778 deed De Vries zijn aandeel in gelijke parten over aan de overige partners. Er wordt gedacht dat hij daarvoor geen geld heeft ontvangen, maar wilde voorkomen nog verder in de schulden te geraken. Reisiger deed in 1779 zijn aandeel over aan Van Bakergem, voor de som van ƒ 50.000,-. Van Bakergem leende het overnamegeld van ƒ 40.000 bij een negociatiefonds onder directie van de Amsterdamse koopman Dirk Luden tegen 6% rente. En hij bleef ook nog zitten met de schuld aan zijn zwager Roseboom. Uiteindelijk besloten die twee dat Roseboom voor de helft eigenaar zou worden, tegen de waarde van de helft van de uitstaande schulden.

In 1779 was het eigendom als volgt :
– Nicolaas van Bakergem (1/2 deel) (met ƒ 40.000,- schuld aan Dirk Luden)
– Jan Hendrik Roseboom (1/2 deel) (met ƒ 50.900,- geleend geld)
– In 1782 nam Roseboom het aandeel van Van Bakergem over, maar opnieuw met geleend geld.

Van Nederland naar Ghana

Om zijn schulden af te betalen gaat Nicolaas in 1783 weer terug naar Afrika. Maar hij overlijdt al in 1786. Zijn weduwe Helena van Bakergem-Arent accepteert de erfenis niet en keert met haar zoon terug naar Nederland.

2020

Plantage nu

Door schulden plantage wordt Keizersgracht 64 verkocht

Mr. Jan Hendrik is opgezadeld met enorme schulden, De Guineesche Vriendschap hangt als een molensteen om zijn nek. Hij is in 1788 gedwongen om Keizersgracht 64 te verkopen om alle schulden te kunnen afbetalen. Hij doet het pand voor ƒ 25.000 van de hand aan Dirk Luden. Dirk Luden blijft tot 1802 eigenaar van het pand.

De plantage blijft nog wel gedeeltelijk in het bezit van de familie Roseboom. Na de dood van Mr. Jan Hendrik gaat zijn zoon Jan Pranger Roseboom naar Suriname waar hij waarschijnlijk de familieplantage tot 1812 beheert, tot ook hij overlijdt. In 1824 verkoopt de familie de plantage die tot ver in de twintigste eeuw als zodanig in gebruik blijft.

De plantage is nu overwoekerd maar er zijn nog resten te vinden. Zoals van een waterwerk, een vrijwel geheel complete door stoom aangedreven suikerpersinstallatie, restanten van een dorpje, laadkarren op rails, voor het transport van het riet uit de velden en tenslotte twee kappa’s (ketels waarin het suikersap werd ingedikt) te vinden.

Bronnen
  • Onderzoek Philip Dikland naar de plantage http://www.suriname-heritage-guide.com/
  • Wij hebben dankbaar gebruik gemaakt van het onderzoek wat Arnold Korporaal in opdracht van Euro Business Center, de huurder van Keizersgracht 62, 64 en het tuinhuis, uit liet voeren.
  • Huizenonderzoek in het Stadsarchief Amsterdam.
  • Rijksmuseum.nl
Cookie toestemming
Deze website maakt gebruik van cookies van derde partijen voor analyse van dataverkeer. Privacyverklaring.