Het verhaal van de 8 jarige Joodse onderduikster

Tekening gevel pand Fortwachtershuisje Fort Diemerdam
H

Het verhaal van de 8 jarige Joodse onderduikster

Fortwachterswoning, Overdiemerweg 37; Oorlogsverhaal van Rinah Barsilai Pomeranz geschreven op 27 juli 2007

Tekening gevel pand Fortwachtershuisje Fort Diemerdam
1942

Fortwachterswoning, Overdiemerweg 37

Toen de oorlog begon was ik net 6 jaar en in september zou ik naar de 1e klas van de lagere school gaan. Wij woonden in Enschede, en hoewel er al veel Duitsers rondliepen konden we toch vrij naar school gaan en ook de mensen bleven gewoon doorwerken. Midden 1942 mochten de Joodse kinderen van de Duitsers niet meer naar school, en veel Joden moesten ook hun werk verlaten omdat het werken bij firma’s ook door de Duitsers werd verboden. Wij, als Joodse kinderen kregen thuis les van de hoofdonderwijzer, van onze school. Die hoofdonderwijzer kwam 3 keer per week langs om ons les te geven. Maar toen in de winter van 1942 moesten wij Joden onderduiken, ik was toen 8 jaar, mijn zusje 9 en mijn broer was 10 jaar. Samen met mijn broer werden we door 2 mannen achter op de fiets, ’s avonds laat weggebracht naar een familie, die vlak bij het station woonden. (De naam van die familie ben ik vergeten). Bij deze familie in Enschede hebben we geslapen en de volgende morgen heel vroeg moesten we met de trein mee.

We kwamen aan in Maarn, en kwamen bij een vrouw waar nog meer kinderen waren, ook om onder te duiken. Ik was zo intens verdrietig dat ik de eerste dagen alleen maar gehuild heb en niemand kon me troosten!!!

Ik had maar één verlangen en dat was terug naar huis, naar mijn vader en moeder. Omdat ik zo verdrietig was begon ik ’s nachts weer in bed te plassen en moest ik voor straf in de schuur slapen, tussen de kolen en op een vieze matras. Mijn broer en ik zijn daar een half jaar geweest. Omdat het hier niet fijn en aangenaam was, ben ik ziek geworden. Ik kreeg een ernstige huidziekte, had last van luizen en steenpuisten. Bovendien was ik ernstig ondervoed had heimwee en verdriet.

“Ik was zo intens verdrietig dat ik de eerste dagen alleen maar gehuild heb en niemand kon me troosten!!!”
1943

Toen ik bij mijn pleegmoeder, tante Bets kwam, vertelde ze mij dat ik een zielig hoopje mens was. Maar, zoals gezegd na een half jaar werden we hier weggehaald. Ik werd meegenomen door een vrouwtje dat “Truke” genoemd werd, ze was lid van de ondergrondse. Helaas is zij kort daarna gefusilleerd, zoals ik later vernomen heb. Door haar werd ik bij de familie Klop gebracht in Overdiemen. Ik heb heel veel geluk gehad want mijn broer en ik zijn op tijd weggehaald van deze plaats, de andere kinderen en ook deze vrouw zijn later in de oorlog door de Duitsers vermoord in 1 van de kampen. Mijn broer werd naar een onderduikadres in Friesland gebracht. En zo kwam ik aan bij de familie Klop, geplaagd door de luizen en een lichaam vol met steenpuisten, het was toen half 1943.

“Geplaagd door de luizen en een lichaam vol met steenpuisten..”

Van die steenpuisten had ik nog tientallen jaren last en nog steeds draag ik littekens ervan over mijn hele lichaam. Deze familie Klop heeft me goed opgevangen en ook goed verzorgd. Ik vraag me nog steeds af waar ze de zalf en verbandjes vandaan haalden, maar elke dag werd ik verschoond. Helaas bleven de steenpuisten me kwellen en werd ik er niet van verlost.

In het begin van deze onderduik periode konden we nog vrij naar school in Diemen gaan. Hoewel het 1 uur lopen was om daar dagelijks te komen. Ik kon vrijuit rondlopen omdat ik geen Joods uiterlijk had en ik was zogenaamd het “nichtje” van de familie. Met Lies, de dochter van deze familie, kon ik van het begin af aan goed opschieten, ze voelde zich verantwoordelijk voor mij en nam me onder haar liefdevolle bescherming. Na verloop van tijd mochten we helaas niet meer naar school, het verzet werd te gevaarlijk, vanwege overkomende vliegtuigen en het schieten vanuit de lucht. Binnenshuis moesten we meehelpen met allerlei huishoudelijke taken.

Er waren nog 2 onderduikers in huis, (Piet) een Joodse jongen, zijn echte naam was Gideon Cahen en Beb Bremer, zij werd Annie genoemd. Deze 2 kinderen hadden wel een uitgesproken Joods uiterlijk en mochten daarom niet buiten komen. Daardoor werden ze veel door mij geplaagd, maar later toen ik ouder werd, had ik daar erg veel spijt van. Met z’n drieën speelden we vaak op zolder. Piet maakte vliegtuigen en boten van papier. lies en ik speelden met de lappenpoppen die tante Bets voor ons had gemaakt. Op een dag kregen we een beetje ruzie met Piet, hij kwam op ons terrein, en wat er precies gebeurde weet ik niet meer, ook Lies weet het niet meer, maar ik gleed opeens op mijn achterste van de rechte houten trap af naar beneden en zo door de deur van de wc in, die tegenover de trap was waarvan de deur open stond. Dagenlang daarna hebben we nog vreselijk gelachen om dit voorval en bij mij deed het vooral ook erg pijn. Als kinderen had je soms ook veel plezier.

“Na verloop van tijd mochten we helaas niet meer naar school, het verzet werd te gevaarlijk, vanwege overkomende vliegtuigen en het schieten vanuit de lucht.”

Naarmate ik ouder werd vroeg ik me wel eens af: “Waar haalden tante en oom toch altijd al dat eten vandaan dat ze klaar maakten voor al die onderduikers. Het eten was op de bon, zo’n beetje net genoeg voor eigen gebruik, maar zeker niet genoeg voor extra “gasten!” Want in de bunkers op het fort sliepen ook nog tientallen onderduikers, die uit Amsterdam kwamen, op de vlucht voor de Duitsers.

Op een dag moesten Lies en ik een emmer melk halen bij de boer. Het paadje waar we over liepen leek nogal lang voor ons idee en opeens hoorden we boven ons vliegtuigen en er werd geschoten. Thuis was ons verteld als er geschoten wordt moet je direct op de grond gaan liggen. Dus wij het emmertje met melk neergezet en zonder te kijken waar we gingen liggen, voelden we ineens dat het midden in de brandnetels was waar we waren neergestreken. Dat hebben we lange tijd erna gevoeld. Ook toen de polders onder water liepen en al het vee van de boeren uit de omgeving op het fort gebracht werd, omdat het fort hoger lag, ging het schieten vanuit de lucht onverminderd door.

“Waar haalden tante en oom toch altijd al dat eten vandaan dat ze klaar maakten voor al die onderduikers”

Op een dag hoorden we dat alle onderduikers weg moesten bij oom en tante, want de Duitsers zouden komen en eisten een kamer op, zelfs de schuur werd in bezit genomen. (Alleen ik mocht blijven omdat ik geen Joods uiterlijk had en nog steeds “het nichtje” van de familie was.) In de schuur was elke dag een Duitser aan het koken voor de officieren die in de mooie kamer woonden van tante en oom.

Er werden daar bedden gebracht en elke avond werd en vanuit Amsterdam een hoertje meegenomen. De Duitser die altijd in de schuur bezig was, zag dat ik steeds met verbandjes om liep. En toen hij hoorde van oom dat ik onder de steenpuisten zat bracht hij op een dag een grote pot zalf mee. Dat moest oom maar gebruiken voor mijn steenpuisten. Later hoorde ik dat het ‘ichthyol’ was. Hij had het toen eens moeten weten voor wie hij de zalf had meegebracht!!

Met de kerstdagen gingen we allemaal naar de kerk, helemaal lopend, want het was ongeveer een uur lopen. Ik had een hele mooie jas gekregen met heel veel knopen. Supertrots liep ik daar mee naar de kerk. Ook was mij het “Onze Vader” geleerd, zodat ik zonder op te vallen, gewoon mee kon doen.

Omdat we niet meer naar school gingen hadden we veel tijd en tante leerde ons breien, naaien en ook kousen stoppen. Elke zaterdag moesten we schoenen poetsen. Door de week werd er zoveel mogelijk op klompen gelopen. Zwemmen leerde ik in de Diemerplassen, door me vast te houden aan een lange hengel, dat was een hele opgave want ik was erg bang voor water en tot op heden hou ik niet van zwemmen!

“Zwemmen leerde ik in de Diemerplassen, door me vast te houden aan een lange hengel..”

Later heb ik veel teruggedacht aan het feit dat ik helemaal geen heimwee heb gehad naar mijn vader en moeder, en nooit gevraagd heb waar zij waren, of hoe het met hen ging en of ze nog wel leefden. Dit was te danken aan het feit dat ik me thuis voelde en het erg goed naar mijn zin had bij de familie Klop. Ze hielden van mij zoals van hun eigen dochter. Lies was als een eigen zusje en dat is tot op heden zo gebleven.

S

Toen de oorlog uiteindelijk ten einde was, konden we weer vrijuit naar school gaan samen met andere kinderen uit Overdiemen. De school stond in Diemen, dus liepen we allemaal weer naar school. Of soms kregen we een lift van een boer die met paard en wagen net langs kwam. Voor zover ik me kan herinneren kwam ik in de 3e klas terecht, hoewel ik inmiddels al 11 jaar was.

“Soms kregen we een lift van een boer die met paard en wagen net langs kwam..”
1945

Midden juni (1945), toen ik op school was, kwam de hoofdmeester naar onze klas en riep hij mij, nam me bij de hand en samen liepen we naar het einde van de gangen…. DAAR STOND MIJN VADER!!!!!!! Hij gaf een kreet van blijdschap en riep: “PIETIE!!”, want dat was mijn huisnaampje. Ik herkende hem bijna niet meer, zo was hij veranderd na twee en een half jaar. Hij sloot me in zijn armen en beiden hebben we hartstochtelijk gehuild, en ook de mensen die er omheen stonden. Mijn vader nam me toen mee naar het huis van tante en oom, tante was niet thuis, alleen oom was er en die zei: “Het is beter dat we niet op tante wachten”. Het afscheid nemen van “haar dochter” zou haar hart breken. En zo gingen we weg zonder haar “goedendag” te zeggen, natuurlijk vond ik dat heel moeilijk en had daar veel verdriet van. Gelukkig hebben we haar later natuurlijk nog wel ontmoet en gezien, maar toen op dat moment was het heel zwaar om zonder afscheid te nemen, weg te gaan.

Voordat we naar mijn moeder gingen, hebben we ook nog eerst mijn zusje opgehaald, die op de Kaag was ondergedoken. En zo kwamen we pas ’s avonds aan in Beekbergen, waar mijn moeder was. Mijn ouders waren de hele oorlog ondergedoken geweest in Beekbergen. Het was een heel ontroerend en blij weerzien en allemaal hebben we gehuild. Dit keer tranen van blijdschap, maar ook ontroering. Mijn broer werd pas veel later gevonden, die was in Friesland ondergedoken geweest. Uiteindelijk pas in augustus was de blijdschap compleet, toen we als gezin weer allemaal in Enschede woonden.

“Ik herkende hem bijna niet meer, zo was hij veranderd na twee en een half jaar.”
1967

De familie Klop heeft in 1967 een hoge en welverdiende onderscheiding ontvangen, namelijk door Yad Wasem te Jerusalem. Toen hebben tante en ik ook een boom geplant in “De laan der rechtvaardigen”, ook dat was een blijk van grote waardering voor wat tante en oom voor ons hadden betekend! Tot op heden hebben wij nog goed contact met deze familie.

Lees HIER meer over de fortwachterswoning en lees de brief van de vader van Rinah, waarin hij de familie Klop bedankt.

Cookie toestemming
Deze website maakt gebruik van cookies van derde partijen voor analyse van dataverkeer. Privacyverklaring.